Vervaltermijnen in bouwcontracten met consumenten: het blijft nog even spannend!

Geplaatst op 10 apr 2026 Vervaltermijnen in bouwcontracten met consumenten: het blijft nog even spannend!

Na oplevering van een nieuwbouwwoning wordt de aannemer aangesproken op gebreken aan het werk. De aannemer beroept zich op de vervaltermijnen van artikel 16.3 AVA 2013. Hier volgt dat als een rechtsvordering niet tijdig is ingesteld, deze niet ontvankelijk is. Dit zijn 'vervaltermijnen'. Deze niet kunnen worden gestuit, wat bij 'verjaringstermijnen' wel kan.

Vervaltermijnen zijn gangbaar in de standaardvoorwaarden in de bouwbranche. De vervaltermijnen in de AVA (opgesteld door Koninklijke Bouwend Nederland) zijn verwant aan die in § 12 UAV.

𝗕𝗲𝗼𝗼𝗿𝗱𝗲𝗹𝗶𝗻𝗴 𝗱𝗼𝗼𝗿 𝗱𝗲 𝗿𝗲𝗰𝗵𝘁𝗯𝗮𝗻𝗸
Omdat de (particuliere) opdrachtgevers niet binnen de vervaltermijn een vordering hebben ingesteld, wijst de aannemer de aanspraak af. De opdrachtgevers stellen dat de vervaltermijnen onredelijk bezwarend zijn en kunnen worden vernietigd (art. 6:233 BW). De rechtbank gaat daar niet in mee en wijst de vordering van de opdrachtgevers af.

𝗕𝗲𝗼𝗼𝗿𝗱𝗲𝗹𝗶𝗻𝗴 𝗱𝗼𝗼𝗿 𝗵𝗲𝘁 𝗛𝗼𝗳
In hoger beroep oordeelt het gerechtshof Amsterdam anders. Het Hof overweegt dat de vervaltermijnen wel onredelijk bezwarend zijn. Dat is een zeer verstrekkend oordeel. Dergelijke vervaltermijnen staan namelijk in vrijwel alle standaardvoorwaarden in de bouw.

𝗗𝗲 𝗔-𝗚 𝗽𝗹𝗲𝗶𝘁 𝘃𝗼𝗼𝗿 𝗲𝗲𝗻 𝗻𝗶𝗲𝘁-𝗽𝗿𝗶𝗻𝗰𝗶𝗽𝗶ë𝗹𝗲 𝗮𝗳𝗱𝗼𝗲𝗻𝗶𝗻𝗴
Er is een cassatieprocedure gestart. Een advocaat-generaal (A-G) bij de Hoge Raad (HR) brengt in cassatieprocedures een onafhankelijk juridisch advies (conclusie) uit aan de HR. Dat advies is niet bindend, maar weegt doorgaans zwaar. De HR besluit vervolgens om dat advies wel of niet over te nemen.

Gisteren is de conclusie van de A-G gepubliceerd. Hij concludeert dat het arrest van het Hof moet worden vernietigd vanwege meerdere juridisch-technische redenen.

Hoewel het op de weg van de A-G lag om ook inhoudelijk te onderzoeken of de vervaltermijnen oneerlijk en/of onredelijk bezwarend zijn, heeft hij dat om meerdere redenen niet gedaan:

1️⃣ De gevolgen van een precedent zijn groot; de standaardvoorwaarden in de bouwbranche bevatten nagenoeg allemaal vergelijkbare termijnen.
2️⃣ Een precedent wordt idealiter gevestigd in een prejudiciële procedure, waarbij derden (zoals branche- en consumentenorganisaties) kunnen inspreken. Deze verstekzaak geeft die mogelijkheid niet.
3️⃣ Er moet rekening worden gehouden met het belang van een respectvolle verhouding tussen de overheidsrechter en de Raad van Arbitrage in bouwgeschillen (RvA) en een wederzijds begrip voor ieders positie en rol.

⚖️ De RvA heeft inmiddels uitdrukkelijk afstand genomen van het arrest van het Hof. Zie hierover: RvA 7 april 2025, No. 82.640 en RvA 17 februari 2026, No. 38.068.

Het is nu aan de Hoge Raad. Het blijft dus nog even spannend!

Terug naar het nieuwsoverzicht